NICE-richtlijn - gebruik van nieuwere medicijnen voor epilepsie bij kinderen
Hieronder staan samenvattende punten uit de NICE-richtlijn (1):
1.1 De nieuwere anti-epileptica gabapentine, lamotrigine, oxcarbazepine, tiagabine, topiramaat en vigabatrine (als aanvullende therapie voor partiële aanvallen) worden, binnen hun gelicentieerde indicaties, aanbevolen voor de behandeling van epilepsie bij kinderen die geen baat hebben gehad bij behandeling met de oudere anti-epileptica zoals carbamazepine of natriumvalproaat, of bij wie de oudere anti-epileptica ongeschikt zijn omdat:
er contra-indicaties zijn voor de medicijnen
ze een wisselwerking kunnen hebben met andere geneesmiddelen die het kind gebruikt (met name orale anticonceptiva)
al bekend is dat het kind ze slecht verdraagt
het kind op dit moment vruchtbaar is of waarschijnlijk nog in de vruchtbare leeftijd behandeld moet worden (zie rubriek 1.5).
1.2 Vigabatrin wordt aanbevolen als eerstelijnsbehandeling voor de behandeling van infantiele spasmen (syndroom van West).
1.3 Het wordt aanbevolen om kinderen waar mogelijk met één anti-epilepticum (monotherapie) te behandelen. Als de eerste behandeling niet succesvol is, kan monotherapie met een ander geneesmiddel worden geprobeerd. Voorzichtigheid is geboden tijdens de overgangsperiode.
1.4 Het wordt aanbevolen combinatietherapie (adjunctieve of "add-on" therapie) alleen te overwegen wanneer pogingen met monotherapie met anti-epileptica (zoals in rubriek 1.3) niet hebben geleid tot aanvalsvrijheid. Als proeven met combinatietherapie geen zinvolle voordelen opleveren, dient de behandeling terug te keren naar het regime (monotherapie of combinatietherapie) dat voor het kind het meest aanvaardbaar is gebleken wat betreft de balans tussen effectiviteit in het verminderen van de aanvalsfrequentie en de verdraagbaarheid van bijwerkingen.
1.5 Bij meisjes in de vruchtbare leeftijd, met inbegrip van jonge meisjes die waarschijnlijk behandeling nodig hebben tijdens hun vruchtbare jaren, moet het risico dat de geneesmiddelen schadelijk zijn voor een ongeboren kind, en de mogelijkheid van interactie met orale anticonceptiva, worden besproken met het kind en/of hun verzorger, en moet een beoordeling worden gemaakt van de risico's en voordelen van behandeling met individuele geneesmiddelen. Er zijn momenteel weinig gegevens waarop een definitieve beoordeling van de risico's van nieuwere geneesmiddelen voor het ongeboren kind kan worden gebaseerd. Specifieke voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van natriumvalproaat vanwege het risico op schade aan het ongeboren kind.
1.6 Het wordt aanbevolen dat alle kinderen die een eerste niet-briele aanval hebben gehad, zo snel mogelijk worden gezien door een specialist in de behandeling van epilepsieën om een nauwkeurige en vroege diagnose te stellen en een therapie te starten die is afgestemd op hun behoeften.
1.7 De behandeling dient met regelmatige tussenpozen opnieuw te worden bekeken om te voorkomen dat kinderen met epilepsie langdurig een behandeling moeten volgen die niet effectief is of slecht wordt verdragen, en om ervoor te zorgen dat zij de voorgeschreven medicatie blijven gebruiken.
1.8 De aanbevelingen over de keuze van behandeling en het belang van regelmatige controle van effectiviteit en verdraagbaarheid zijn dezelfde voor specifieke groepen, zoals kinderen met leermoeilijkheden, als voor de algemene populatie van kinderen met epilepsie.
Raadpleeg voor meer details de volledige richtlijnen (1).
Referentie:
Gerelateerde pagina's
Maak een account aan om paginanotities toe te voegen
Voeg informatie toe aan deze pagina die handig is om bij de hand te hebben tijdens een consult, zoals een webadres of telefoonnummer. Deze informatie wordt altijd weergegeven wanneer je deze pagina bezoekt